woensdag 10 augustus 2016

Vervaltermijn milieuvergunning loopt niet tijdens vernietigingsprocedure voor Raad van State

De Raad van State verwoordt het in het arrest nr. 233.938 van 25 februari 2016  als volgt:

Artikel 28, § 1, 1°, van het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de vergunning van rechtswege vervalt wanneer zij betrekking heeft op een inrichting die “niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn”. Luidens het derde lid van voormeld artikel 17 mag die termijn geen drie jaar overschrijden.

Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat het milieuvergunningsdecreet is geworden, beoogt voormelde vervalregeling “vooral de bescherming van de buren en derden, die uit het niet in bedrijf nemen of houden van een inrichting, zouden kunnen afleiden dat de exploitant van zijn voornemen om de inrichting te vestigen of verder te exploiteren heeft afgezien en daarnaar zouden kunnen handelen” (Parl. St. Vl.R. 1984-1985, nr. 291/1, 14).

Artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet moet restrictief worden geïnterpreteerd. Op die wijze geïnterpreteerd kan de verplichting om de inrichting binnen een termijn van maximaal drie jaar in gebruik te nemen, enkel een aanvang nemen vanaf het ogenblik dat vaststaat dat de vergunning voor de houder ervan een zeker en definitief gegeven is. Van de vergunninghouder kan immers niet worden verwacht dat hij een precaire milieuvergunning ten uitvoer brengt, met alle risico’s van dien. Dit is het geval wanneer derden een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State waardoor de vergunning ongedaan kan worden gemaakt of zelfs kan worden ingetrokken.

In voorliggend geval hebben vijf van de huidige verzoekende partijen de nietigverklaring gevorderd van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 27 augustus 2009 waarbij aan de tussenkomende partij de vergunning werd verleend voor het verder exploiteren en veranderen van de rundveehouderij (zaken A. 194.477/VII-37.566 en A. 194.478/VII-37.567). De exploitant is in deze procedures tussengekomen om zijn belangen te vrijwaren. Uit die vaststelling kan bezwaarlijk worden afgeleid dat hij louter door het aanwenden van een rechtsmiddel door derden-belanghebbenden, zou hebben afgezien van de realisatie van het project.

De beroepen tot nietigverklaring werden respectievelijk verworpen bij arrest nr. 217.307 van 19 januari 2012 en arrest nr. 217.682 van 2 februari 2012. Bijgevolg heeft de onzekerheid over de rechtskracht van de basisvergunning pas opgehouden te bestaan na de kennisgeving van laatstvermeld arrest aan de tussenkomende partij. Rekening houdend met dit uitgangspunt, was de termijn voor ingebruikname niet verstreken op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen.


Het enig middel is ongegrond’.

donderdag 28 juli 2016

Tekortkoming in dossiersamenstelling stedenbouwkundige vergunning moet niet fataal zijn

Zo oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest RvVb/A/1516/1235 van 16 juni 2016:

'De omstandigheid dat er in de samenstelling van het aanvraagdossier gegevens zouden ontbreken, tast in principe de wettigheid van een vergunning niet aan wanneer vaststaat dat het vergunningverlenend bestuursorgaan, ondanks deze lacunes, met kennis van zaken heeft kunnen beslissen. Het vergunningverlenend orgaan dient, voorafgaand aan de beoordeling ten gronde van de voorliggende aanvraag, te oordelen over de volledigheid van het ontvangen aanvraagdossier en moet in voorkomend geval oordelen of een bepaald document in een bouwaanvraagdossier essentieel is voor het beoordelen van de aanvraag. Onder voorbehoud van een marginale toetsing in het kader van het aan de Raad opgedragen legaliteitstoezicht, komt het de Raad niet toe het onderzoek over te doen, in welk geval het zich in de plaats zou stellen van het vergunningverlenend bestuursorgaan.

De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat het ontbreken van de aanstiplijst van de hemelwaterverordening en het aanvraagformulier, en het statisch formulier, de verwerende partij zou belet hebben met kennis van zaken te oordelen'.

Eerder stelde de Raad van State in het arrest nr. 214.325 van 30 juni 2011:

'Onjuistheden en lacunes in het bouwdossier kunnen slechts tot de vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning leiden, indien zij enerzijds van die aard zijn dat zij de vergunningverlenende overheid hebben misleid en haar hebben verhinderd met kennis van zaken te beslissen en indien zij anderzijds beslissend zijn geweest voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning'. 

Misbruik van zonevreemdheidsrechten kan worden beteugeld

In het arrest nr. 235.384 van 7 juli 2016 verwerpt de Raad van State het cassatieberoep tegen het arrest nr. RvVb/A/1516/0119 van 20 oktober 2015 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

De stedenbouwkundige vergunningsaanvrager bekwam voor de deputatie een stedenbouwkundige vergunning bekomen het afbreken van serres bij een vergund tuinaanlegbedrijf en het vervangen er van door een loods binnen het bestaande volume' (artikel 4.4.17 VCRO) nadat zij amper 2 jaar voordien een vergunning had bekomen voor 'het wijzigen van de oorspronkelijke bestemming van een glastuinbouwbedrijf naar een tuinaanlegbedrijf' (artikel 4.4.23 VCRO).

De RvVb, gevolgd door de Raad van State verwerpen dergelijke saucissonering.  De Raad van State overweegt:

16. Het bestreden arrest stelt met het oog op de beoordeling van het middel vast dat:

- de verzoekende partij “op 24 september 2010 […] een vergunning verkreeg voor een zonevreemde functiewijziging van een bestaande serre naar een tuinaanlegbedrijf” onder meer omdat “de bestaande serre wordt herbruikt” en “[h]et bestaande gebouwenpatrimonium […] aldus gevaloriseerd [wordt], wat het opzet is van het besluit betreffende de functiewijzigingen” en dat daaruit volgt “dat het feitelijk gebruik van de constructie zonevreemd is geworden”; - “[d]e aanvraag strekt tot de afbraak van een bestaande serre en het vervangen ervan door een loods op grond van artikel 4.4.17 VCRO” en “gelegen is in agrarisch gebied en niet in functie staat van een agrarische of para-agrarische activiteit”; - de deputatie “de aanvraag [toetst] aan artikel 4.4.17 VCRO”, er “vanuit [gaat] dat [de verzoekende partij] reeds een vergunning heeft bekomen voor het aanwenden van de serres in functie van [haar] tuinaanlegbedrijf in toepassing van artikel 4.4.23 VCRO en […] van de artikelen 2 en 9, 2° van het Besluit zonevreemde functiewijzigingen”, en “er dan ook vanuit [gaat] dat de bestaande constructie niet meer zone-eigen is om vervolgens te stellen dat het gaat om een bestaand, vergund tuinaanlegbedrijf”. 17. In zoverre het bestreden arrest overweegt dat de verzoekende partij bij haar aanvraag “amper 2 jaar later” heeft voorgehouden “dat deze constructie in het geheel niet meer voldoet voor de nieuwe functie” geeft het een uitlegging van het beroep bij de deputatie en van de nota tot tussenkomst in de procedure voor de RvVb die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskent het niet de bewijskracht ervan. In dat beroep bij de deputatie en de nota in de procedure voor de RvVb voert de verzoekende partij telkenmale aan dat zij “het bestaande serregebouw [wenst] te vervangen door een loods” en haar “nieuwe machines […] door hun hoogte niet gemanoeuvreerd [kunnen] worden in het bestaande gebouw”.

18. Artikel 4.4.23 VCRO bepaalt dat het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouw of een gebouwencomplex, mag afwijken van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan de voorwaarde dat het gebouw of het gebouwencomplex 1) op het ogenblik van de aanvraag bestaat, niet verkrot en hoofdzakelijk vergund is, en niet gelegen is in ruimtelijk kwetsbare gebieden of recreatiegebieden, en 2) de functiewijziging op een door de Vlaamse regering vast te stellen lijst voorkomt, waarin nadere regelen en bijkomende voorwaarden voor de betrokken wijzigingen van gebruik kunnen worden bepaald. In de parlementaire voorbereiding van de VCRO wordt gesteld dat “inzake zonevreemde functiewijzigingen […] de algemene, essentiële voorwaarden van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone, decretaal verankerd” worden (Parl. St. Vl. Parl. 2008-09, nr. 2011/1, nr. 496). Artikel 9, 2°, Besluit Zonevreemde Functiewijzigingen bepaalt dat met toepassing van artikel 4.4.23 VCRO in principe een vergunning kan worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie “landbouw in de ruime zin” van een gebouw of gebouwencomplex, voor zover deze is gelegen in een agrarisch gebied in de ruime zin en de nieuwe functie betrekking heeft op een tuinaanlegbedrijf. Artikel 2, § 3, Besluit Zonevreemde Functiewijzigingen bepaalt dat voormelde functiewijziging enkel kan worden “toegestaan als het gebouw of gebouwencomplex bouwfysisch geschikt is voor de nieuwe functie”, met andere woorden “als aan het gebouw of gebouwencomplex uit financieel of bouwtechnisch oogpunt geen ingrijpende werken uitgevoerd hoeven te worden voor de nieuwe functie. Daarmee wordt bedoeld dat de functie gerealiseerd kan worden als de bestaande structuur van het gebouw grotendeels wordt benut en gevaloriseerd, waarbij het gebouw aangepast kan worden aan hedendaagse comfort-, energie- of milieueisen”.

In het Verslag aan de Vlaamse regering (BS 23 juli 2007) wordt toegelicht dat het Besluit Zonevreemde Functiewijzigingen “gericht [is] op een valorisatie van het bestaande gebouwenpatrimonium in Vlaanderen. Gebouwen komen daarom enkel in aanmerking wanneer ze bouwfysisch nog in goede staat zijn en zonder al te grote investeringen of ingrijpende verbouwingen geschikt zijn voor de nieuwe functie. De financiële grootte van de investering wordt afgewogen tegen de waarde van het onroerend goed. Bij de beoordeling van het ingrijpend karakter van de werken wordt gekeken naar de mogelijkheid om de functie te realiseren voor zover de bestaande structuur van het gebouw grotendeels wordt benut en gevaloriseerd, waarbij het gebouw kan aangepast worden aan hedendaagse comfort-, energie- of milieueisen. Hiermee wordt gewezen op de mogelijkheid dat hoewel het gebouw constructief in orde is, men toch verbouwingen wil uitvoeren die onrechtstreeks te maken hebben met de stabiliteit, doch die de realisatie van de nieuwe functie moeten mogelijk maken binnen de bestaande structuur van het gebouw, zoals een bijkomende verdieping, een nieuwe vloer. Een bijkomend element hierbij is dat deze werken in functie van huidige comfort-, energie- en gebruikseisen kunnen staan. Voorbeelden van minder ingrijpende verbouwingen zijn : het bijmaken van raam- en deuropeningen, het aanbrengen van uithangborden. Een voorbeeld hiervan is ook een schuur bij een zonevreemde woning, waarin men logies wil voorzien in toepassing van artikel 4 van het besluit. Het is vanzelfsprekend dat indien men dergelijke schuur wil omvormen er een verdieping wordt bij gecreëerd : de werken hiervoor zijn wel onrechtstreeks stabiliteitswerken, doch met deze werken raakt men niet aan de stabiliteit of de bestaande structuur van het gebouw zelf”. Uit wat voorafgaat, volgt dat luidens het Besluit Zonevreemde Functiewijzigingen de zonevreemde wijziging van de hoofdfunctie “landbouw in de ruime zin” van een gebouw (en complex) naar een tuinaanlegbedrijf enkel kan worden toegestaan als “de bestaande structuur van het gebouw grotendeels wordt benut en gevaloriseerd”.

19. Het bestreden arrest kon aldus oordelen, zonder dat het een voorwaarde toevoegt aan de artikelen 4.4.10, 4.4.11 en 4.4.17 VCRO, zonder schending van de artikelen 4.2.19 en 4.4.23 VCRO en de artikelen 2 en 9 Besluit Zonevreemde Functiewijzigingen en zonder “een eigendomsbeperking in het leven [te roepen] die niet volgt uit enige wettekst”, dat “[v]oor het verlenen van een zonevreemde functiewijziging […] de nadruk op de valorisatie van de bestaande gebouwen dan ook behouden [blijft]”. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. 

20. Het bestreden arrest kon, gelet op al wat voorafgaat, de gegrondverklaring van het eerste middel van het college en bijgevolg de vernietiging van de vergunningsbeslissing van 13 december 2012 steunen op de dubbele redengeving, enerzijds “dat de vergunning van 24 september 2010 werd verleend onder de impliciete voorwaarde dat er minstens gedurende een relatief langere termijn geen structurele ingrepen aan de serre mochten worden uitgevoerd […] gelet op de uitdrukkelijke doelstellingen van het Besluit zonevreemde functiewijzigingen, met name de valorisatie van het bestaand gebouwenpatrimonium”, en anderzijds dat de deputatie “de in de vergunning van 24 september 2010 besloten voorwaarde van behoud en valorisatie van de gebouwen zelfs niet toetst aan het aangevraagde”.

 21. Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen.

woensdag 27 juli 2016

Toch een voortgezet misdrijf bij bestemmingsstrijdig gebruik?

In 4 arresten van dezelfde dag, waaronder het arrest nr. C.13.0098.N/2 van 25 februari 2016, antwoordt de burgerlijke, eerste kamer van het Hof van Cassatie, op deze vraag bevestigend:

'1. Krachtens artikel 146, eerste lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999 wordt de persoon gestraft die een inbreuk op de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaardigd krachtens onderhavig decreet, pleegt na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, of dit voortzet of in stand houdt, op welke wijze ook.

Krachtens artikel 6.1.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is, na 1 mei 2000, het plegen, voortzetten of in standhouden van een inbreuk op de plannen van aanleg, strafbaar.

Artikel 4.1.1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat een bestemmingsvoorschrift
een stedenbouwkundig voorschrift is dat is neergelegd in, onder meer, een gewestplan, in welk geval het betrekking heeft op de omschrijving van de bestemmingsgebieden, in de zin van artikel 1, § 1, tweede lid, koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen.

2. Op grond van artikel 4.1 en 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn de agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen en de woning van de exploitanten bevatten, benevens
verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven.

3. Op grond van artikel 1.1.2, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt voor de toepassing van deze codex verstaan onder handelingen: werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties.

4. Uit deze bepalingen volgt dat het niet vergund gebruik in strijd met de gewestplanbestemming
“agrarische gebied” na 1 mei 2000 ingevolge artikel 6.1.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een strafbare handeling kan uitmaken, voor zover dit strijdig gebruik op zich een ruimtelijke implicatie heeft, hetgeen de rechter in concreto dient na te gaan.

5. Voor dergelijke strafbare handeling kan een stakingsbevel worden afgeleverd zoals bedoeld in artikel 154 Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.47 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voor zover vaststaat dat daardoor een inbreuk op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening kan worden voorkomen. 

Het niet vergund gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften is geen voortdurend misdrijf, dit is een misdrijf dat bestaat in een ononderbroken en door de dader bestendigde wederrechtelijke toestand. Daden van gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften vormen elk op zich een aflopend misdrijf vormen voor zover zij ruimtelijke implicaties hebben en kunnen wegens eenheid van opzet een enkel voortgezet misdrijf opleveren. De rechter beoordeelt dit in feite.

6. De appelrechters die vaststellen dat het misdrijf van strijdig gebruik een op zich staand misdrijf is te onderscheiden van het misdrijf van instandhouding van de primaire gebruikswijziging en verder dat de uitbaters van het massagesalon elke dag actieve daden van koophandel stellen strijdig met de 
ming, zonder na te gaan of deze daden ruimtelijke implicaties hebben, noch eenheid van opzet vaststellen of aannemen zodat deze daden een enkel voortgezet misdrijf opleveren, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond'. 

Deze rechtspraak maakt in feite de stedenbouwkundige verjaringsregeling tot dode letter, nu ... de meeste zone-eigen misdrijven gewoonweg voor regularisatie in aanmerking komen en verjaringsregeling vooral bedoeld was om rechtszekerheid te creëren voor oude, zonevreemde misdrijven (buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied).

Het is de vraag of de strafrechtelijke kamer van het Hof van Cassatie over deze kwestie op dezelfde manier denkt dan de burgerlijke kamer en wat het 'eindoordeel' zal zijn van het Grondwettelijk Hof of eventueel zelfs van het Hof van de Rechten van de Mens.  Natuurlijk kan de decreetgever zelf ook ingrijpen...  

dinsdag 21 juni 2016

Bestemmingswijziging kan niet als herstel in natura opgelegd worden

Zo oordeelt de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, in het vonnis van 9 juni 2016:

‘De aansprakelijkheid van de overheid ten aanzien van de burger is onderworpen aan het gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregime, zodat er een fout, schade en oorzakelijk verband in die zin van artikel 1382 e.v. BW dient bewezen te worden.

Wanneer de fout, schade en oorzakelijk verband bewezen worden, dient de rechter de overheid te verplichten tot rechtsherstel over te gaan. Dit rechtsherstel dient in principe in natura te gebeuren.

Evenwel is het herstel in natura niet mogelijk wanneer dit onmogelijk is, het rechtsmisbruik vormt, het herstel door het recht wordt uitgesloten of beperkt en wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt.

Wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt en de rechter legt een herstelmaatregel op, dan zou dit de rechtsmacht van de rechter te buiten gaan, aangezien de rechter niet in de plaats kan treden van de overheid.

De veroordeling tot herstel in natura zal slechts mogelijk zijn wanneer het handelen van de overheid kaderde binnen zijn gebonden bevoegdheid en de rechter dan alleen de uitvoering beveelt van wat de overheid had behoren te doen volgens de wettelijke of decretale bepalingen.
Wanneer de overheid daarentegen een appreciatiemarge had en niet op een bepaalde wijze moest optreden, dan kan de rechter de overheid niet verplichten om toch op deze wijze op te treden. 

De door eisers voorgehouden fout in hoofde van verweerders als overheid bestaat er in dat zij verkeerde informatie hebben verstrekt over de stedenbouwkundige bestemming van de percelen.

De rechtbank kan bij het weerhouden van de fout alleen een herstel in natura bevelen, hetgeen in casu zou inhouden de veroordeling van verweerders tot het verstrekken van de juiste informatie naar aanleiding van de aankoop en het behandelen van de vergunningsaanvragen. 
Dit is evenwel onmogelijk, aangezien de aankoop en de vergunningsaanvragen voldongen feiten zijn.

De door eerste verweerster gevraagde veroordeling ten opzichte van haarzelf en tweede verweerster houdt dan ook geen herstel in natura in, maar een compensatiemaatregel om de nadelige gevolgen van de fout op te heffen, te compenseren.
Eerste verweerster vordert te horen zeggen voor recht dat de huidige bestemming van de percelen aangepast moet worden aan de schijn die de overheid heeft gewekt bij de burgers door het verlenen van verkeerde informatie.

Evenwel behoort de bepaling van de bestemming van een perceel tot de uitsluitende bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten. Zij bepalen conform het VCRO de ruimtelijke structuurplannen, de ruimtelijke uitvoeringsplannen en de verordeningen. Zij heeft daarbij een discretionaire beoordelingsmacht. De zorg voor de ontwikkeling van de duurzame ruimtelijke ordening zoals omschreven in dit artikel van het VCRO is een gezamenlijke opdracht van deze drie overheden (art. 1.1.3. VCRO).
Maar ook hier kan de rechtbank op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten en het verbod voor de rechter om zijn rechtsmacht te buiten te gaan, de overheid niet opleggen om een perceel een welbepaalde bestemming te geven.
De rechtbank zou enkel kunnen opleggen, nu blijkt dat de stedenbouwkundig ambtenaar de verkeerde stedenbouwkundige informatie heeft verstrekt en dit aan de hand van het plannenregister (bestand met stedenbouwkundige voorschriften, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verordeningen, …), dat het plannenregister dient aangepast te worden aan de werkelijk door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming. De door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming wijzigen zoals gevorderd valt buiten de rechtsmacht van de rechtbank die zich bij de discretionaire bevoegdheid van de overheid niet in de plaats mag stellen.

Het gewettigd vertrouwen dat bij de burger gecreëerd werd door het op vaste basis en gedurende lange tijd verstrekken van eenzelfde verkeerde informatie kan enkel door de burger ingeroepen worden om haar schade te bewijzen, zijnde de schending van haar rechtmatig belang (zie onder).
Eerste verweerster zal, zo zij van oordeel is dat de bestemming dient gewijzigd te worden, de geëigende procedure dienen te volgen tot wijziging van de stedenbouwkundige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld het rechten van voorstellen op hoger echelon conform artikel 1.3.3. VCRO.

De vordering van eerste verweerster, waarbij tussenkomende partij aansluit, is ongegrond.’

Referentie: Rb. Veurne, 9 juni 2016, AR 15/244/A, ng. (Pub505288)

donderdag 16 juni 2016

Vlaams Gewest in de fout doordat het aankoopplicht bij waardeverminderde RUP’s niet regelt

Artikel 2.4.10 VCRO luidt als volgt:

Art. 2.4.10. §1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze aankoopplicht. 

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. 

§3. Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar reeds heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen die reeds werden ontvangen ten gevolge van kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. 

Wanneer een eigenaar toepassing maakt van deze aankoopplicht, kan hij jegens het Vlaamse Gewest en met betrekking tot hetzelfde onroerend goed geen aanspraak meer maken op schadeloosstellingen ingevolge planschade of patrimoniumverlies of op de toepassing van enige andere aankoopplicht.’

Tot op vandaag is het nog niet gekomen tot een uitvoeringsbesluit. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel meent in een vonnis van 10 mei 2016 dat het Vlaams Gewest hierdoor in de fout is gegaan:

‘De rechtbank oordeelt dat:

a) artikel2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009 in werking getreden, bijna zes jaar geleden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden genomen. In een vonnis van deze van rechtbank 7 februari 2014, dat ten aanzien van het Vlaamse Gewest gezag van gewijsde heeft, werd zijn overheidsaansprakelijkheid weerhouden.

Wij zijn nu twee jaar later en het Vlaams Gewest heeft nog steeds geen uitvoeringsbesluit genomen terwijl hij weet dat zijn aansprakelijkheid in het gedrang is.

Na tussenkomst van voormeld vonnis heeft de heer Dirk Van Mechelen op 24 mei 2012 een parlementaire vraag nr. 647 gesteld aan de Vlaamse minister van financiën, begroting, werk, ruimtelijke ordening en sport die als volgt antwoordde:

‘Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) voorziet in een aankoopplicht van het Vlaamse Gewest wanneer een onroerend goed door de inwerkingtreding van een of meerdere ruimtelijk uitvoeringsplannen ernstig in waarde vermindert of wanneer de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 
De nadere voorwaarden en de procedure van deze aankoopplicht, alsook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs worden volgens paragraaf 2 van artikel 2.4.10 VCRO vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering.

Tot op heden werd nog geen dergelijk uitvoeringsbesluit vastgesteld aangezien dit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren. Sinds de inwerkingtreding van de VCRO is namelijk slechts één gerechtelijk dossier gekend waarin men zich beroept op artikel 2.4.10 van de VCRO. Bij vonnis dd. 17 februari 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd deze vordering afgewezen wegens verjaring. Tegen deze uitspraak werd beroep aangetekend door de verzoekende partij.

Het lijkt er bijgevolg op dat de stelling van de vraagsteller dat de voormelde aankoopplicht ‘tegemoet komt aan een reële behoefte’ en dat ‘meerdere bedrijven en landbouwers in de problemen komen’, dient te worden genuanceerd. Klaarblijkelijk volstaan de bestaande vergoedingsregelingen zoals planschade, kapitaalschade en gebruikersschade, om tegemoet te komen aan de meeste verzuchtingen van eigenaars en gebruikers van gronden die geconfronteerd worden met een waardevermindering tengevolge van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren, is het volgens mij op dit ogenblik niet prioritair om hierover een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering voor te leggen’.

M.a.w. was de minister niet op de hoogte van de uitspraak van het vonnis van 7 februari 2012 en wacht de Vlaamse Regering op problemen in de praktijk om een uitvoeringsbesluit vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat het Vlaams Gewest een fout begaat, minstens een nalatigheid in de zin van artikelen 1382 of 1383 BW door na te laten binnen een redelijke termijn, de nodige uitvoeringsbesluiten vast te stellen en eerst te wachten dat er zich in de praktijk problemen zouden voordien in plaats van problemen te vermijden, wat van een openbaar bestuur zou mogen worden verwacht.’

Verder stelt de rechtbank:

‘Artikel 2.4.10 VCRO is niet enkel van toepassing indien de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt maar ook wanneer de waardevermindering van het onroerend goed ernstig is.’ 

(...)

‘Met betrekking tot de vraag of artikel 2.4.10 VCRO beperkt is tot gewestelijk ruimtelijke uitvoeringsplannen stelt de rechtbank vast dat voormeld artikel enkel verwijst naar ruimtelijke uitvoeringsplannen en geen onderscheid maakt tussen gewestelijke, dan wel gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Het Vlaams Gewest voegt een onderscheid in het decreet dat door de decreetgever niet is voorzien. Deze stelling wordt door de rechtbank niet weerhouden.’

Referentie: Rb. Brussel, 10 mei 2016, AR 2014/6238/A, ng. (Pub505102)

maandag 2 mei 2016

Over de ‘ruimtelijke implicaties’ van een met een uitvoeringsplan – of aanlegplan – strijdig gebruik

In een arrest van 12 april 2016 van de 9e kamer van het hof van beroep te Gent  wordt in zoveel woorden gesteld dat er geen voortgezet misdrijf bestaat in de zin van artikel 6.1.1., lid 1, 1° VCRO.

De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur stelde evenwel dat hij zijn vordering nog kan enten op het misdrijf zoals voorzien in artikel 6.1.1., lid 1, 6° VCRO, m.n. een voortgezet misdrijf van een met het gewestplan strijdig gebruik, bestaande uit een ‘niet door de strafrechtelijke verjaringstermijn onderbroken’ reeds op zichzelf, (als aflopend misdrijf) strafbare handelingen van met het gewestplan strijdig gebruik, die zouden gepleegd zijn met dezelfde misdadige zet, zoals bedoeld in artikel 65 Sw.'

Het hof wijst erop dat er maar sprake kan zijn van een ‘voortgezet’ misdrijf van met het gewestplan strijdig gebruik indien er sprake is van ruimtelijke implicaties.

Dit was in casu niet het geval:

‘De vader van M. verkreeg op 6 november 1979 een bouwvergunning voor het verbouwen van een bestaande woning. Evenwel werd het bestaande gebouw gesloopt en werd een nieuwbouw opgericht, iets meer verwijderd van de straat dan het oude gebouw. Los van de mogelijke ruimtelijke implicaties van het bestaan van deze nieuwe constructie op de goede ruimtelijke ordening, is het hof van oordeel dat het gebruik van voor bewoning (als één woonentiteit) in onderhavig specifiek geval geen ruimtelijke implicaties heeft, te meer nu ook indien vader W. zich had gedragen naar de verkregen bouwvergunning, er evenzeer sprake zou zijn van bewoning/één woonentiteit op kwestieus perceel.

De vordering is dan ook af te wijzen als niet gegrond.’

Ref.: Gent, 12 april 2016, AR 2012/2886 en AR 2015/2134, ng.  (Pub501702)