14/03/2016

Beslissingsboom archeologisch vooronderzoek

Het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 verplicht de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning om in bepaalde gevallen een bekrachtigde archeologienota bij de vergunningsaanvrager te voegen.

In die gevallen stelt de aanvrager, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag, een erkend archeoloog aan die een archeologisch vooronderzoek uitvoert en die de archeologienota opmaakt. Deze wordt dan ter bekrachtiging ingediend bij het Agentschap Onroerend Erfgoed.

Consulteer hier naar de beslissingsboom van het Agentschap om na te gaan of een vergunningsaanvraag al dan niet door deze archeologieverplichting wordt gevat.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Archeologie, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/10/2019

Geldt de 10-jarige aansprakelijkheid bij het uitvallen van (schuif)ramen?

Dit was het debat voor de rechtbank van eerste aanleg dat zich stelde nadat een schuifraam in een serviceflat, geëxploiteerd door een OCMW, zomaar uitviel waarbij een bewoonster licht werd gewond. Hetzelfde probleem stelt zich ook bij andere schuiframen.  In een vonnis van 2 oktober 2019 beslist de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, als volgt:

Opdat de tienjarige aansprakelijkheid van toepassing zou zijn, zijn vier voorwaarden vereist: 1) partijen moeten verbonden zijn door een aannemingsovereenkomst, 2) het gebrek moet een gebouw of een groot onroerend werk aantasten, 3) het gebrek moet ernstig zijn, 4) het gebrek moet het gevolg zijn van een fout van een ontwerper, toezichthouder of uitvoerder.

Enkel artikel t792 B.W. heeft het over het teniet gaan van het gebouw, terwijl artikel 2270 B.W. deze voorwaarde niet stelt. Vermits de Belgische rechtspraak er echter van uitgaat dat beide artikels eenzelfde toepassingsgebied hebben, is het dus niet vereist dat het gebouw geheel of gedeeltelijk zou moeten instorten om de tienjarige aansprakelijkheid in het gedrang te brengen. Om te kunnen spreken van tienjarige aansprakelijkheid moet het gebrek wel een zekere ernst vertonen. Onder een ernstig gebrek" verstaat men niet alleen het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een bouwwerk, maar is het voldoende dat het gebrek een bedreiging vormt voor de stevigheid van het gebouw of een belangrijk onderdeel ervan. Het is niet vereist dat de stevigheid van het gebouw op één bepaald ogenblik in het gedrang gebracht wordt. Het is voldoende wanneer met zekerheid kan gesteld worden dat de stevigheid op korte of lange termijn ondermijnd wordt. De rechter kan dus rekening houden met het progressief karakter van de vastgestelde schade.

Het kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk betwist worden dat het uitvallen van kamerbrede schuiframen de stabiliteit van een belangrijk deel van het bouwwerk in het gedrang brengt, temeer daar dit probleem zich kennelijk bij 5 serviceflats voordoet (wat door verweerster wordt erkend). Er is sprake van het fysiek uiteenvallen van een belangrijk deel van het bouwwerk. Het gegeven dat hierdoor niet het volledige gebouw instort is niet relevant.

Referentie: Rb. Gent 2 oktober 2019, nr. 2019/10.691, ng. (Pub507789)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/10/2019

Substituerend vorderingsrecht in ere hersteld

Met het Decreet Lokaal Bestuur werd het substituerend vorderingsrecht zoals vervat in artikel 194 van het Gemeentedecreet afgeschaft.

Het substitutierecht stelde inwoners van een gemeente in staat om namens de gemeente in rechte op te treden wanneer deze laatste ten onrechte naliet om op te treden.

Deze figuur werd frequent gebruikt in combinatie met de milieustakingsvordering.

Eerder werd een poging van de decreetgever om het substituerend vorderingsrecht te beperken tot gevallen waarin schade aan het leefmilieu werd toegebracht, afgeblokt door het Grondwettelijk Hof (zie ons eerdere blogbericht hierover).

Ook de volledige afschaffing van het substituerend vorderingsrecht heeft de toets van het Grondwettelijk Hof niet kunnen doorstaan.

Bij arrest nr. 129/2019 van 10 oktober 2019 heeft het Grondwettelijk Hof de opheffing van artikel 194 van het Gemeentedecreet vernietigd op grond van volgende overwegingen:

“ B.6.2.  Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van elke wetgever de maatregelen te bepalen die hij adequaat en opportuun acht om dat doel te verwezenlijken.

Krachtens artikel 7bis van de Grondwet dient elke wetgever bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de doelstellingen na te streven van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.

B.6.3.  Door het veelvuldig gebruik van de milieustakingsvordering, door de inwoners die namens de gemeente of de provincie in rechte optreden, valt de opheffing van artikel 194 van het Gemeentedecreet en artikel 187 van het Provinciedecreet binnen het toepassingsgebied van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet dat het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu waarborgt.

B.7.1. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.7.2.  In de materies die tot de gemeentelijke bevoegdheden behoren, komt het aan de gemeentelijke overheden toe om onwettige handelingen te doen ophouden of te voorkomen en om daartoe desnoods in rechte op te treden. Artikel 194 van het Gemeentedecreet beoogde de inwoners van een gemeente in de mogelijkheid te stellen om namens de gemeente in rechte op te treden indien het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad dat ten onrechte nalaten. Het algemeen belang van de gemeente - met inbegrip van de gemeentelijke financiën - kan immers in het gedrang komen door het stilzitten van het college of de gemeenteraad.

Hoewel de mogelijkheid om namens de gemeente in rechte op te treden aan bepaalde voorwaarden was onderworpen, was zij in vele gevallen de enige weg voor individuele burgers om het rechterlijk toezicht op onwettige handelingen te activeren. De opheffing van die mogelijkheid, door de bestreden bepaling, houdt een aanzienlijke vermindering in van het bestaande beschermingsniveau.

B.7.3.  Het Hof dient derhalve te onderzoeken of daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.8.  Op het vlak van het milieubeleid dient het Hof, rekening houdend met de verplichting die op grond van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet voor de gewestwetgevers geldt om het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen, het oordeel van die wetgevers betreffende het algemeen belang te eerbiedigen, tenzij dat oordeel onredelijk is.

B.9.1.  De Vlaamse Regering haalt een aantal redenen aan ter verantwoording van de bestreden maatregel. Zij voert allereerst aan dat de ratio legis van het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente achterhaald is. Toen de wetgever in 1836 artikel 150 van de Gemeentewet aannam, beoogde hij volgens de Vlaamse Regering een oplossing te bieden voor de situatie waarin een gemeente niet durfde of wilde optreden tegen vooraanstaande inwoners van de gemeente. De gemeenteraden waren niet op dezelfde wijze representatief samengesteld zoals vandaag het geval is en het college van burgemeester en schepenen werd niet verkozen door de gemeenteraad maar benoemd door de regering.

B.9.2.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet, dat artikel 194 van het Gemeentedecreet heeft opgeheven:
 « Toen de nationale wetgever in 1836 artikel 150 van de Gemeentewet aannam (de voorloper van artikel 194 van het Gemeentedecreet) wilde hij een oplossing bieden voor de situatie waarin een kleinere gemeente niet durfde of niet wilde optreden tegen een van de meest vooraanstaande inwoners van de gemeente. Die mogelijkheid kan niet los gezien worden van de toenmalige context van de bestuurlijke organisatie, meer bepaald de omstandigheid dat gemeenteraden niet op dezelfde manier representatief zijn samengesteld zoals dat op vandaag het geval is, en dat het college van burgemeester en schepenen werd benoemd door de regering. Bij stilzitten van de gemeentelijke overheden, kon een andere inwoner dus, namens de gemeente, het nodige doen, met het daartoe voorziene artikel 150 van de Gemeentewet » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1353/1, p. 19).

B.9.3.  Het komt vanzelfsprekend de decreetgever toe de bestaande wetgeving aan te passen aan de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden. Nadat hij vanaf 1 januari 2002 de bevoegdheid verwierf om, op grond van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen te regelen, heeft de Vlaamse decreetgever het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente uitdrukkelijk overgenomen in artikel 194 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005. Daaruit moet worden afgeleid dat de decreetgever, ook in de hedendaagse bestuurlijke context, zich het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente heeft toegeëigend.

B.10.1.  In het verlengde van de voormelde reden, voert de Vlaamse Regering voorts aan dat het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente, met name in combinatie met de milieustakingsvordering, op gespannen voet staat met de normale werking van de plaatselijke democratie. Het zou niet verantwoord zijn dat een beslissing van een democratisch orgaan om niet in rechte op te treden, op initiatief van een individuele inwoner kan worden omzeild.
 
 B.10.2.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet:
 « Bepaalde rechtspraak maakte van artikel 194 van het Gemeentedecreet een door de wetgever onbedoeld wapen tegen de gemeente. Het artikel zou immers betekenen dat inwoners ook namens de gemeente kunnen optreden tegen de gemeente, namelijk om een project dat uitdrukkelijk door de gemeenteraad en het college gesteund wordt, aan te vallen.
Die situatie staat op gespannen voet met de normale werking van de plaatselijke democratie. Het is inderdaad weinig zinnig en democratisch verantwoord, dat een eerder democratisch tot stand gekomen beslissing van een gemeente, of de weloverwogen keuze om niet op te treden, vervolgens aan een rechterlijke controle wordt onderworpen op een verzoek dat daartoe, namens de gemeente zelf, wordt ingediend door (één of meer, maar niettemin een minderheid van) haar inwoners » (ibid., p. 20).

B.10.3.  Zoals in het arrest nr. 60/2016 reeds werd opgemerkt, is het stilzitten van de gemeente niet noodzakelijkerwijs een gevolg van een nalatigheid of onwilligheid om het gemeentelijk belang te behartigen, doch kan het evenzeer de uiting zijn van een weloverwogen keuze, omdat de gemeente van oordeel is dat geen onwettigheid is begaan en er dus geen aanleiding is om een stakingsvordering in te stellen.
Aan die democratisch gelegitimeerde keuze wordt evenwel geen afbreuk gedaan door een inwoner die een andere mening is toegedaan. Zijn optreden in rechte, namens de gemeente, beoogt slechts de wettigheid van een betwiste handeling aan de rechterlijke toetsing te onderwerpen en bestendigt op die manier zijn participatie aan de democratische rechtsstaat. De eerbiediging van de rechtsstaat is een essentiële voorwaarde voor de bescherming van alle grondrechten, waaronder het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Bovendien zal de rechter de vordering of het beroep ongegrond verklaren indien geen onwettigheid werd begaan.
 

B.11.1.  Vervolgens voert de Vlaamse Regering aan dat de inwoner inmiddels over andere juridische instrumenten beschikt, ter vrijwaring van een subjectief recht, een persoonlijk belang of een collectief belang.

B.11.2.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet:
 « Daarbij is er rekening mee te houden dat inwoners van een gemeente thans over een hele reeks aan juridische instrumenten beschikken, wat betreft hun rechtsbescherming tegen een in gebreke blijvende overheid (zoals administratieve beroepsmogelijkheden en inspraakmogelijkheden), of om op te komen tegen door de gemeentelijke overheid genomen beslissingen, die in 1836 niet bestonden (zoals onder meer de in de rechtspraktijk sterk geëvolueerde mogelijkheid om, ter vrijwaring van subjectieve rechten, een (kortgeding)rechter te vatten met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, of artikel 14, § 3, van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State) » (ibid., p. 20).

B.11.3.  Een inwoner die doet blijken van een subjectief recht of een persoonlijk belang wordt door de bestreden opheffingsbepaling in zijn optreden in rechte niet gehinderd.
 Een inwoner die op grond van artikel 194 van het Gemeentedecreet in rechte optreedt, treedt evenwel niet op uit eigen naam, maar enkel uit naam en als vertegenwoordiger van de gemeente. De vordering dient te steunen op een recht van de gemeente en heeft tot doel een collectief belang te verdedigen. Bijgevolg vermag een inwoner van een gemeente slechts namens haar in rechte op te treden voor zover de gemeente in kwestie zelf een ontvankelijke vordering kan instellen.

B.11.4.  De Vlaamse Regering verwijst in het bijzonder naar de mogelijkheid voor milieuverenigingen om in rechte op te treden ter vrijwaring van een collectief belang.

B.11.5.  De aangehaalde reden blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet:
 « Dat de procederende inwoner geen belang heeft bij de veroordeling van de tegenpartij, is bovendien zelden tot nooit het geval mocht dit wel het geval zijn dan is het zo dat op het moment dat de wetgever deze bepaling in het gemeentedecreet had ingeschreven de federale wetgever nog geen ruime mogelijkheden had voorzien ten aanzien van verenigingen om in functie van hun maatschappelijk doel rechtsvorderingen in te stellen en uit hoofde van hun doel een belang te veronderstellen. Zo beschikken milieubewegingen vandaag over een autonoom recht om vorderingen in te stellen en beschikt de burger die over geen persoonlijk belang zou beschikken dus over een alternatief en hoeft hij - om de rechtsbescherming die de grondwet inzake milieubescherming biedt te behouden - niet terug te vallen op een uitzonderlijke procedure die ooit in het gemeentedecreet is terecht gekomen en waarbij aan een burger een vorderingsrecht namens de gemeenten werd toegekend » (ibid., p. 47).

B.11.6.  Het bestaan van een alternatieve mogelijkheid om de wettigheid van een betwiste handeling aan de rechterlijke toetsing te onderwerpen, kan weliswaar verantwoorden dat een andere toegang tot de rechter wordt beperkt. Het bestaan van een alternatieve toegang tot de rechter biedt evenwel geen reden van algemeen belang die de aanzienlijke vermindering van het bestaande beschermingsniveau kan verantwoorden. Dat geldt des te meer wanneer die alternatieve toegang een hogere drempel opwerpt doordat zij de inwoners van de gemeente ertoe noopt zich te verenigen.

B.12.  Het komt ten slotte aan de rechter toe om een eventueel misbruik begaan door de inwoners te bestraffen. Daartoe vereist artikel 194 van het Gemeentedecreet overigens dat de inwoner die namens de gemeente in rechte optreedt, een zekerheidstelling moet aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding - waartoe ook de rechtsplegingsvergoeding behoort - te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.

B.13.  Door de opheffing van het vorderingsrecht namens de gemeente heeft de decreetgever het beschermingsniveau dat werd geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate verminderd zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang”.

De opheffing van het substituerend vorderingsrecht schendt aldus de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting.

Waar de Vlaamse Regering heeft verzocht de vernietiging te beperken tot het vorderingsrecht van inwoners ter vrijwaring van het leefmilieu, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de standstill-verplichting niet enkel geldt ter bescherming van het recht op een gezond leefmilieu, maar van alle in artikel 23 van de Grondwet vermelde rechten. De decreetgever dient, wanneer hij het vorderingsrecht van inwoners wenst te beperken, niet alleen artikel 23 van de Grondwet maar ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht te nemen.

Alzo wordt het substituerend vorderingsrecht opnieuw in ere hersteld.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Lokale Besturen
Tags Celine Van De Velde, Grondwettelijk recht, Lokale besturen, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/10/2019

Loutere verwijzing naar vernietigingsarrest van de Raad van State is geen voldoende draagkrachtig motief bij herbeslissing

Met arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 vernietigde de Raad van State de beslissing van de Beroepscommissie in Tuchtzaken. De Raad van State oordeelde dat de (vernietigings-)beslissing van de Beroepscommissie wezenlijk beperkt was tot een ontkenning van het bewezen-zijn van het tuchtfeit en dat er te weinig rekening werd gehouden met elementen die de gemeenteraad in zijn uitvoerige motivering deed gelden. De Beroepscommissie sprak zich opnieuw uit en stelde ‘gelet op het gezag van gewijsde van de overwegingen in het tussengekomen arrest is de Beroepscommissie er in de gegeven omstandigheden toe gehouden om vast te stellen dat de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond dienen te worden afgewezen en dat de bestreden beslissing dient te worden gehandhaafd’.

Dit is aldus de Raad van State in het schorsingsarrest nr. 245.597 van 1 oktober 2019 , prima facie, te kort door de bocht:

‘Waartoe het arrest [van 6 december 2018] de Beroepscommissie op het eerste zicht wel – en slechts – verplicht is tot een nieuwe uitspraak over verzoekers administratief beroep tegen de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 waarbij zij niet haar eigen oordeel over het al dan niet bewezen-zijn van de tegen verzoeker in aanmerking genomen tuchtfeiten geeft, maar aan de hand van de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden, beoordeelt of de zienswijze hieromtrent van de gemeenteraad binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid is gebleven.

Bijgevolg lijkt de Beroepscommissie, door in de bestreden beslissing (…) het administratief beroep van verzoeker af te wijzen, omdat uit het arrest van de Raad van State zou volgen dat het door de stad W. opgelegde tuchtstraf geenszins als niet-bewezen of als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd’ en dat ‘de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond diende te worden afgewezen’, een foutieve invulling te geven aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 243.163 van 6 december 2018, en heeft het administratief beroep van verzoeker op het eerste zicht niet zorgvuldig en deugdelijke beoordeling gekregen die vereist is’.

Het lijkt erop dat de Beroepscommissie zich zodoende ten derde maal zal moeten buigen over dezelfde zaak.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/10/2019

Ook Beleidsplan Provincie Oost-Vlaanderen een eerste keer ter inzage

Ter aanvulling van een eerder blogbericht - waarin ook het belang van provinciale beleidsplannen werd uiteengezet - ligt thans ook het provinciaal Beleidsplan 'Oost-Vlaanderen 2050' een eerste maal ter inzage. 

De relevante documenten vindt u hier.

Eerste opmerkingen kunnen overgemaakt worden tot en met 14 november.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Integraal handelsvestigingenbeleid, Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/10/2019

Raad voor Vergunningsbetwistingen spreekt zich uit over de melding van de beroepstermijn op het omgevingsloket

Aangezien het Omgevingsvergunningsdecreet en bijhorende uitvoeringsbesluiten niet meer voorzien in een attest van aanplakking - hetgeen de start van de beroepstermijn voor derden akteert - rees de vraag waarop een derde zich dan wel moest beroepen om de laatste dag van de beroepstermijn te weten te komen. 

In een eerder blogbericht wezen wij al op de gevaren. 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is nu onlangs, op 13 augustus 2019, tot een eerste arrest gekomen dienaangaande (RvVb 13 augustus 2019, RvVb-S-1819-1296):

"Het omgevingsvergunningsdecreet voorziet immers niet in een attest van aanplakking, zoals voorheen het geval was, noch omvat artikel 57 OVB de verplichting om op de affiche van aanplakking de startdatum van de aanplakking te vermelden. Bovendien zijn de gegevens over de aanplakking in het omgevingsloket, met name de registratie van de startdatum van aanplakking en eventueel bijgevoegde foto’s, voor een derden zoals de verzoekende partijen via het publiek toegankelijk deel van het omgevingsloket op het eerste gezicht niet raadpleegbaar.

Aangezien de omgevingsvergunningsprocedure in hoofdzaak digitaal verloopt, zoals ook in de regelgeving is vastgelegd, mogen derden er in die concrete omstandigheden dan ook op kunnen vertrouwen dat vermelde einddatum van de beroepstermijn in het omgevingsloket correct is. Er kan van een derde niet in die mate waakzaamheid worden vereist, en de vermelding van een einddatum van de beroepstermijn op het publieke luik in het omgevingsloket ondermijnt de plicht tot waakzaamheid overigens ook, dat hij zelf ook nog steeds bij de gemeente moet verifiëren wanneer de aanplakking in het omgevingsloket is geregistreerd.

Voor zover de gegevens van de aanplakking niet ter inzage liggen op grond van de bepalingen uit het artikel 63 OVB, dat die gegevens op het eerste gezicht niet uitdrukkelijk vermeldt, vallen derden, zoals de verzoekende partijen, terug op de generieke regeling inzake de toegang tot bestuursdocumenten uit het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Gezien de besturen slechts binnen de in het Bestuursdecreet vermelde termijnen moeten beslissen om de inzage al dan niet toe te staan, loopt een derde op die manier het risico dat zijn beroepstermijn reeds is verstreken op het moment hij inzage in de gegevens van de aanplakking verkrijgt."

De laatste dag om beroep in te dienen zou aldus gelijk zijn aan de datum 'einde beroepsperiode derden' zoals in het omgevingsloket is bepaald. 

Een en ander blijkt evenwel niet uitdrukkelijk uit het omgevingsvergunningsdecreet, dus het blijft wel oppassen in de praktijk, maar het kan niet ontkend worden dat de rechten van derden hierdoor wel enigszins versterkt worden. 

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags